Inleiding

De één verdient in het Gein zijn brood. Een ander heeft er een prachtige woonomgeving gevonden. Weer een ander fietst, wandelt of kanoot door het Gein om van het fraaie landschap te genieten en even los te komen van de dagelijkse hectiek of het drukke stadsleven. Een bezoek aan het Gein geeft rust én inspireert. Chauvinisme? Nee, de bewijzen zijn er. Het Gein is er in de loop der eeuwen in geslaagd vele kunstenaars in actie te brengen. Vele vruchten van hun inspiratie zijn bewaard gebleven en hebben het Gein daarmee een voorname plaats in de Nederlandse cultuurhistorie gegeven. In sommige gevallen – denk alleen al aan het vroege werk van Mondriaan – zelfs tot een plek in de mondiale cultuurhistorie.

Hierna volgt een overzicht van werken van kunstenaars waarin het Gein een rol speelt. Kunstenaars die hun sporen hebben verdiend, die er hun brood mee verdienen, of die zichzelf ‘amateur’ noemen. Oude en hedendaagse schilderijen, foto’s en gedichten. Mist u iets? Of heeft u een aanvulling/correctie? Wij houden ons aanbevolen voor suggesties om deze rubriek completer te maken met beeldmateriaal of verwijzingen naar andere websites. Stuurt u gerust een mailtje naar de webbeheerder !

Muziek

Spaar het Gein lid George Schermer maakte een dampend actielied voor het Gein. Zet het volume hard!

Ter gelegenheid van de viering van het 20-jarige bestaan van de vereniging Spaar het Gein bracht het Abcouder Creatoonkoor een prachtige, tweestemmig gezongen Geinballade ten gehore. De tekst vindt u in Nieuwsbrief 33, hier het gezongen lied.

Schilders

Fotografen

Andere beeldende kunst

Schrijvers – dichters

  • Jac. P. Thijsse – Thijsse wandelde veel langs het Gein. “Nu evenwel laten we Abcoude achter ons en stappen den grintweg op langs het veelgeprezen Gein, een smal watertje, maar zoo mooi begroeid en zoo dikwijls en zoo goed geschilderd, dat bij het woord alleen iedereen al denkt aan Holland op zijn mooist”, aldus Thijsse in het Verkade-album De Vecht uit 1915.
  • Nescio – Vereeuwigde het Gein in zijn geschriften. Bezocht in 1925 India en zag de Ganges. Dit landschap ontlokte hem geen andere getuigenis, dan wat hij eens tegen Belcampo zei: “Geef mij maar het Gein.” De beroemdste passage over het Gein in het werk van Nescio komt voor in het verhaal Insula Dei, een verhaal dat Nescio schreef op latere leeftijd, nadat hij jarenlang niets geschreven had. Hij brengt de figuur Flip tot leven, symbool van een oud geworden Titaantje. Het is inmiddels oorlog (1942) en Flip is een en al misère. Hij woont in de Pontanusstraat (nog steeds de somberste straat van de Amsterdamse Dapperbuurt, op het noorden naast de spoordijk), in een vreselijk somber huis. De wereld van Filp is een en al verval. “Weggerationaliseerd uit z’n kantoor met een half jaarsalaris, aan den steun vervallen, een paar maal wat tijdelijk werk gehad.” Maar in zijn hoofd leeft nog steeds de wereld van de Titaantjes, onheugelijk lang geleden. Op het Dapperplein komt dat opeens naar boven:”De wereld is weer groen. Het is weer een dag in Mei en we zitten aan de Vink, bij den waterkant en drinken koffie natuurlijk, altijd dronken we koffie, bij elk weer. De kastanjes en seringen bloeien en de gouden regen en er zijn nog enkele appelboomen in bloei, de kalven staan in de boomgaarden, de lammetjes springen op hun pootjes, weer zooals ze sprongen toen Ichnaton leefde, de zon glinstert in het Gein, de eerste plompenbladen liggen op ’t water bij de weerspiegeling van de wilgen, de weiden en de kanten van de wegen staan vol paardebloemen en boterbloemen, de schaduwen van de boombladeren liggen op ’t kroos in de sloten, leeuwerikken en merels en vogels die ik niet ken zingen en tjilpen, een zwaluw scheert over ’t water, een kikker kwaakt heel hard en plotseling roept een lang vergeten vogel, de Koekoek roept, van heel ver, en van heel ver antwoordt een andere, het klinkt van zoo ver, gedachten kunnen nauwelijks van verder komen.”Deze herinneringen zijn ‘goddelijke eilandjes’ (insula dei) in een diepe afgrond van ellende. Daarom heet de verhalenbundel waar het verhaal in voorkomt: ‘Boven het dal’.Landschap is voor Flip veel meer dan het gewone boerenlandschap.”Karakteristiek voor Flip. Hij denkt aan z’n vrouw en ziet landschap.”
    “En zoo, in die van God verlaten put, praat i eentonig verder, praat i met zichzelf. En de zon schijnt over een weidsch, warm landschap en Gods warme glimlach is over alles.”
    “Maar hij kijkt naar den grond, het zwarte gat houdt hem gevangen. Oud en vervallen ziet-i er nu uit. Gods onbegrijpelijkheid is te veel voor hem.”

    Het is niet moeilijk om ook in de verwoesting van het landschap ‘het zwarte gat’ te zien. Voor Nescio is dat hetzelfde. Het zwarte gat, het verdwijnen van het landschap (snelwegen, huizenbouw) en het verdwijnen van de (erotische) liefde door oorlog/crisis, verval en depressie. Het zijn allemaal pseudoniemen van het leven in het ‘dal’, waar de ‘heren’ aan de macht zijn en de titaantjes gevangen houden in hun afschuwelijke ‘kantoren’. Maar ergens altijd zijn er ‘boven het dal’ de goddelijke eilandjes, waar de ‘heren’ geen macht over hebben. In het hoofd van Nescio is het Gein zo’n eiland. Als herinnering, maar hij ging er ook vaak terug. Dat beschrijft hij in zijn natuurdagboek. [tekst van deze informatie over Nescio aangeleverd door Peter Spruijt]